In 1958 begon Jumping Amsterdam in de ‘oude RAI’. Een toonaangevend internationaal concours hippique in de hoofdstad, dat moest het worden. Toch had initiatiefnemer en oud-internationaal springruiter Ben Arts de grootste moeite om de bekende sportarts Hans Tetzner te strikken als voorzitter en biermagnaat Freddy Heineken als sponsor. De eerste editie werd meteen een succes. Niettemin was er sprake van een financieel tekort en kon aan de betalingsverplichting met betrekking tot de locatie niet worden voldaan. De RAI werd op die manier de tweede sponsor.

Toen in 1961 de bouw van de nieuwe RAI gereed was, verhuisde Jumping Amsterdam direct naar het gloednieuwe tentoonstellingscomplex aan het Europaplein. Daarna ging het snel opwaarts met de kwaliteit van de deelnemers en het aantal bezoekers. Aanvankelijk werd voor Jumping Amsterdam uitsluitend de bijzonder geschikte en grote Europahal gebruikt.

Na succesvolle jaren van een steeds groeiend concours, waar bekende ruiters als Alwin Schockemöhle en David Broom nooit verstek lieten gaan, kwam er aan het einde van de jaren tachtig een kentering. Het publiek was wellicht uitgekeken op het evenement, waarvan de formule sinds het begin nauwelijks was veranderd. In 1992 kreeg Jumping nog amper 20.000 bezoekers. Maar het tij keerde en een nieuw bestuur trad aan. Grote veranderingen werden doorgevoerd, zoals het voor publiek openstellen van de Noordhal met de losrijpiste (als eerste internationale concours in Nederland) en het terugbrengen van het aantal ruiters per rubriek, waardoor er meer vaart in het programma kwam. In 1994 werd bovendien in de Zuidhal een tweede wedstrijdpiste ingericht, zodat het programma aanzienlijk kon worden uitgebreid. Ruiters, publiek en sponsors reageerden onmiddellijk enthousiast en het evenement raakte weer in de lift. Nu heeft Jumping Amsterdam ruim 55.000 bezoekers, altijd een bijzonder sterk deelnemersveld en de reputatie van een van de meest vooraanstaande paardensportevenementen ter wereld te zijn.